12 januari 2026

Min of meer opgebeurd


Tja, het is winter, het is januari, dus wat heb je te zoeken op de tuin. Zou je zeggen. Is ook zo. Maar ik ging toch. Eerder deze week was ik er al om te zien welk winters tafereel de sneeuw er had opgeleverd. Dat was leuk. Mooi. Feeëriek. De sneeuw zo ongerept glooiend dat ik mijn eigen tuin nauwelijks durfde te betreden. Knerpende voetstappen. Sporen van hazen en vogels als enige tekenen van leven. Wat vorige week nog groen was en de sombere kou leek te trotseren lag nu slap en futloos ter aarde, voor zover het niet onder de sneeuw was verdwenen. De kale boompjes hielden zich dood, de overgebleven pittoreske skeletten van kaardenbol, boerenwormkruid en aanverwanten waren het ook echt. Maar ach, de wonderdeken van sneeuw maakte veel goed.
Vandaag was ik er weer, als tussenstop op een van mijn opbeurend bedoelde ochtendwandelingen. De wonderdeken was grotendeels gesmolten en had plaatsgemaakt, zoals te verwachten viel, voor enorme hoeveelheden water. De greppeltjes stonden vol tot de randen, veel paadjes waren in stilstaande wateren veranderd, zo goed als enkeldiep. Wat van onder de sneeuw tevoorschijn was gekomen viel zeker niet opbeurend te noemen. Zwarte, zompige smurrie waarvan het moeilijk te geloven is dat dat straks allemaal weer frisgroen en bloeiend tot leven zal komen. Januari, het is niet mijn favoriet seizoen. Maar toch.. Daar vloog een groene specht voor me uit. Een roofvogel maakte een indrukwekkende glijvlucht over het complex, hele wolken kleinere vogels opschrikkend. Het was een valkje, dacht ik. Maar misschien was het zelfs wel een havik, dacht ik ook. En verderop, ver buiten het aanvaardbaar bereik van de telefooncamera, zat een kramsvogel de tijd te verbeiden. En zo ging ik dan toch min of meer opgebeurd naar huis. Tijdelijk in elk geval. Want het blijft januari.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten